Google superieure service van een gevaarlijke monopolist

zoekmachine2

Door Rinze Benedictus

 

 

 

De meeste economen zien competitie als een kracht die het beste boven haalt in bedrijven. Bedreigd door concurrenten zullen bedrijven hun prijzen verlagen of hun producten of diensten verbeteren. In dat denkraam is een monopolie, waarbij één bedrijf de markt beheerst, natuurlijk een zeer slechte zaak.

De discussie is actueel vanwege de groeiende kritiek op internetgiganten die ons het leven heel makkelijk maken, maar soms ook geen serieuze concurrentie meer hebben. De Europese Commissie vraagt zich momenteel af of Google niet tè groot en tè machtig is. Het bedrijf zou zijn alom gebruikte zoekfunctie misbruiken om andere Google-diensten onevenredig te bevoordelen. In Europa heeft Google een aandeel van zo’n 90 procent in zoekopdrachten. Het heeft dus enorme impact als Google besluit om bepaalde hotels, vliegtickets, woordenboeken enzovoorts voorrang te geven.

Maar op de klassieke argwaan jegens oppermachtige bedrijven valt wel wat af te dingen, schrijft tijdschrift The Economist in een artikel getiteld ‘Everybody wants to rule the world’ (29 nov). Het tijdschrift haalt PayPal-oprichter Peter Thiel aan die juist stelt: competitie verklaart alleen falende bedrijven. Succesvolle bedrijven hebben een unieke oplossing gevonden, het ‘gat in de markt’, en neigen dus al snel naar een monopolie. In de digitale wereld geldt bovendien dat een monopolie de dienstverlening vaak sterk verbetert en het valt te bezien hoe sterk het monopolie nou echt is.

Om te beginnen geldt voor internetbedrijven als Google, Amazon, Facebook het beroemde ‘netwerkeffect’. Hoe meer mensen gebruik maken van hun diensten, hoe beter die diensten kunnen worden. Voor Facebook is dat duidelijk, want een groter sociaal netwerk trekt meer deelnemers, en eventuele alternatieve netwerken worden minder aantrekkelijk. Voor eBay/Marktplaats geldt dat meer kopers en meer verkopers de dienst aantrekkelijker maken. Voor Amazon gelden vooral schaalvoordelen bij meer klanten. Google is natuurlijk zeer bedreven in het doorverwijzen naar eigen diensten, waardoor het meestal de weg van de minste weerstand is om alles maar van Google te gebruiken: email, browser, zoeken, online tekstverwerking. Maar het is wel belangrijk om te onthouden dat het netwerkeffect weliswaar de snelle groei van bedrijven verklaart, het geen blokkade is voor nieuwe bedrijven met nieuwe diensten.

In het geval van Google kun je je afvragen of de zoekfunctie inderdaad een echt monopolie is. Ja, 90 procent van de Europese internetters zoekt via Google. Maar Google verdient niet direct via de zoekfunctie, dat loopt via advertenties naast de zoekresultaten.  De ‘gemonopoliseerde’ dienst levert geen geld op. Belangrijker is misschien nog wel dat niets de internetgebruikers tegenhoudt om morgen een andere zoekmachine te gebruiken. Die is letterlijk maar één klik verderop. Dus het Google-imperium klinkt indrukwekkend en is alom aanwezig. Maar ook Google is niet immuun voor een markverstorende nieuwkomer, de ‘disruptive innovator’.

Toch eindigt The Economist een tikje somber. Google verdient momenteel namelijk zo veel geld met zoekadvertenties dat ze zich kunnen ‘inkopen’ in andere markten, zoals zelfsturende auto’s, robotica en gezondheidszorg. Sommige mensen vrezen dat Googles data gedreven bedrijfsvoering ons hele bestaan gaat domineren. Of het zover komt, valt te bezien. Maar mocht dat werkelijkheid dreigen te worden dan zal de maatschappij zelfs aan Googles zéér gebruiksvriendelijke dienstverlening grenzen moeten stellen.

Een Orwelliaanse digitale dictator moeten we niet hebben, zelfs niet als die zeer welwillend en goedaardig is.