Het mandaat van de politicus

mandaat600

Door : Maarten v.d. Wetering

 

 

 

Men zag bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten dat de landelijke opkomst niet al te hoog was. In 2011 was de landelijke opkomst nog 56%, maar bij de afgelopen verkiezingen nog maar 47,8%. Dit betekent dus minder dan de helft van de kiesgerechtigden. Wat menig Nederlander zich dan kan afvragen – en wat steeds vaker ter discussie komt – is de vraag welk mandaat een gekozen politicus tegenwoordig nog heeft wanneer minder dan de helft van de kiesgerechtigden nog stemt? Ik zal proberen aan te tonen dat betreffende een politicus anno 2015 het niet zozeer om het mandaat van de bevolking gaat, maar dat het politieke landschap langzaam aan het veranderen is. Zeker wanneer men kijkt naar de politieke participatie van Nederlanders anno nu.

 

 

De cijfers wijzen erop dat de landelijke opkomsten door de jaren heen minder zijn geworden. De vraag is echter of dit een slechte ontwikkeling is en of dat er wel degelijk minder vertrouwen is in de politiek. Politiek vertrouwen laat zich definiëren in ‘het algemeen vertrouwen in politieke instituties door burgers’ (Catterberg & Moreno, 2006). Wanneer wij naar het vertrouwen in de politiek gaan kijken, is er inderdaad een daling te zien vanaf de jaren ’60 (Kaase, 1999). Niet alleen in Nederland, maar ook elders in de Westerse wereld. De reden van deze daling is vooral te wijten aan de meer kritische houding van burgers tegenover autoriteit in het algemeen en dat men vandaag de dag beter geïnformeerd is betreffende politiek. Daarnaast is het stijgende inkomen, het hogere opleidingsniveau van inwoners en de groeiende mate van sociaal kapitaal van invloed op de dalende trend in het vertrouwen in de politieke instituties.

De dalende trend in politiek vertrouwen en de dalende cijfers in opkomstpercentages bij landelijke verkiezingen is aan elkaar te koppelen. Het is alleen niet direct te herleiden naar het mandaat van een politicus of politieke partij. Er is namelijk een andere dimensie bij gekomen naast de conventionele politieke participatie zoals stemmen bij verkiezingen. De grootste opmars sinds de jaren ’60 is die van de mobilisatie van burgers om zich politiek te uitten in demonstraties, boycots en petities in plaats van het stemmen op een politieke partij of politicus. Ik stel daarom dat het niet zozeer een afbrokkeling is van het mandaat van een politicus, maar meer de opkomst van andere vormen van politieke participatie in de samenleving.

Een andere trend die ik zie is het ontbreken van partijloyaliteit. Ook dit is in lijn met het dalende vertrouwen in de politiek en de veranderingen betreffende de politieke participatie. Steeds minder (jonge) mensen worden lid van een politieke partij. Behalve dat dit een gevolg is van verminderd vertrouwen in de politiek, is het ook een proces van generaties. De jongeren kunnen zich namelijk over het algemeen niet meer vinden in de conventionele partijpolitiek, omdat deze partijen vaak zijn opgericht in tijden van strijd tussen sociale klassen en economische veranderingen die niet meer aansluit bij de huidige jonge, hoogopgeleide stemmer. De wetenschapper Mair (2005) heeft het zelfs over  een trend dat sinds de jaren ’80 er een nieuw type stemmer is geboren waarbij het stemgedrag meer toevallig is en soms zelfs willekeurig is.

Mensen willen intussen meer zeggen over politiek en haar politici dan alleen maar stemmen bij verkiezingen. Door de toename in sociaal kapitaal zien wij dan ook een toename in het creëren van een groep burgers die zich zodanig daadwerkelijk kunnen manifesteren.
Een politicus zou zich hiervan bewust moeten zijn en niet alleen maar aan het conventionele vasthouden en het in stand houden van de politieke elite.